De eerste keer dat een voetballer mij vertelde dat hij “hockeysprintjes” deed, moest ik echt even lachen. “Hockeysprintjes?” vroeg ik, “Ja dit doen ze bij jullie in het hockey toch elke dag?” Ik kwam net vijf jaar bij Den Bosch vandaan. Geen “hockeysprintje” gezien, want daar haalde bijna iedereen zijn of haar intensiteit wél in de training. Misschien dat het ze ook ietsjes makkelijker gemaakt werd, maar de sprintjes werden “gewoon” achter een bal aan gedaan. In het partijtje.
In het voetbal is het gebruikelijk. Spelers die hun belastingsdoelen niet haalden, trokken achteraf nog wat sprintjes om op topsnelheid te komen. Het GPS-systeem zei dat ze te weinig hadden afgelegd, dus werd het aangevuld. Logisch op het eerste gezicht. Maar na twee, drie weken begon het me te storen. Niet omdat sprintjes fout zijn, maar omdat ze een symptoom waren van iets anders: sommige spelers lieten op zware dagen niet alles achter op het trainingsveld.
Dat had ik bij Eric Verboom anders geleerd. Bij Den Bosch zat de fitheid in de oefeningen zelf. Niet als losse toevoeging achteraf, maar als onderdeel van elk trainingsmoment. Hoge intensiteit, creatieve vormen, schakelgedrag dat je niet kunt faken en niet achter je teamgenoten kan schuilen. Iedereen moest met een glimlach het veld opkomen en er ook weer met een glimlach af. Dat was zijn visie. En het werkte.
Toen ik naar Amerika ging, kwam het vraagstuk terug. Ook daar: spelers die na de training extra sprintjes deden, coaches die vonden dat er te weinig intensiteit in de sessies zat. Maar dit keer had ik wel de vrijheid om de filosofie van Verboom toe te passen. We maten exact wat spelers deden, hoe hoog het volume was, waar ze aan voldeden en waar niet. Die informatie gaf me de ruimte om anders te sturen.
Ik combineerde wat ik bij Verboom had geleerd met wat de data me vertelde. Intensiteit bouwen van binnenuit, spelenderwijs, met plezier als vertrekpunt. Dat vertaalde zich in de “Transition Tuesday”: een wekelijks trainingsmoment gericht op hoge intensiteit in schakelgedrag, zonder dat het voelde als extra werk.
Het verschil was meetbaar. In 2023 speelden we de finale met een half fitte selectie. In 2024 wonnen we de finale, met iedereen fit. Dat was geen toeval. Het was het resultaat van weten wat je meet, begrijpen wat je ziet en de training daarop aanpassen.
Ik zie hetzelfde patroon in het bedrijfsleven. Organisaties die merken dat processen niet soepel lopen, voegen tools toe, bouwen dashboards, lanceren een AI-pilot. Sprintjes achteraan. Terwijl de echte vraag is: zit de juiste intensiteit al in het dagelijkse werk? Data helpt je dat zien, maar alleen als je weet wat je zoekt.
“Hockeysprintjes” zijn niet fout. Maar als je ze elke week nodig hebt, vertellen ze je iets. De vraag is of je luistert.
Wil je sparren over hoe data jouw processen scherper maakt? Neem gerust contact op via jop@jopbeuger.nl.


