Als ik LinkedIn moet geloven heeft zo’n beetje elke Nederlander voor de buis gezeten om te zien hoe “Onze” Jutta, “Onze” Jens en “Onze” Antoinette goud hebben gewonnen op de Olympische Spelen in Milaan. Prachtig natuurlijk. Mijn tijdlijn stroomde vol met trots. Met verhalen over doorzettingsvermogen. Over discipline. Over wat bedrijven konden leren van topsport. Ondernemen is ook topsport, werd er geschreven. Over focus, lange adem en pieken op het juiste moment. Dat is oprecht mooi om te zien. Maar er knaagt ook iets. Want zodra een topsporter, coach of staflid zich meldt bij deze bedrijven of ondernemers voor een maatschappelijke carrière naast hun sport, wordt het vaak stiller.
De Nederlandse sportcultuur heeft iets bijzonders. Top- en breedtesport liggen dicht bij elkaar. Je hoort regelmatig het verhaal van een voetballer, hockeyer of schaatser die tot voor kort nog onbekend was. Die vanuit de breedte doorstoot naar de top. Die top ontstaat niet in isolatie. Die bouwen we samen. Tegelijkertijd is er een minder romantische realiteit. Sport wordt in Nederland nog vaak niet als volwaardig werk gezien. Veel sporters en zeker ook stafleden, moeten hun sport combineren met een baan om simpelweg rond te komen. Dat vraagt iets van hen. En soms ook iets van een werkgever:
Een parttime constructie.
Een dag thuiswerken.
Een trainingsmoment midden op de dag.
Een telefoontje midden op de dag van een coach / speler / (medische) staff
Geen privileges. Wel maatwerk. En precies daar wordt inspiratie ineens ingewikkeld.
Dit verhaal is persoonlijk. Want na mijn studie Data Science aan de Jheronimus Academy of Data Science zocht ik, en zoek ik op dit moment opnieuw, naar een functie waarin het woord “én” mogelijk is. Een maatschappelijke carrière én mijn ambities als hockeycoach. De gesprekken zijn vaak goed. Er is interesse. Er wordt gesproken over mentaliteit, discipline en ambitie. Tot het concreet wordt. Totdat blijkt dat standaard werktijden misschien niet altijd passen. Dat flexibiliteit niet alleen een woord in de vacaturetekst is, maar een praktische afspraak. Of totdat mijn sportervaring wordt gereduceerd tot: “Maar je hebt geen ervaring in het bedrijfsleven.” Dat is een begrijpelijke reflex. Organisaties zoeken zekerheid. Maar het is ook een smalle definitie van ervaring. Topsporters en topsport coaches hebben wel degelijk competenties die heel goed vertalen naar het bedrijfsleven!
Een topsporter plant in lagen. De dag moet kloppen, de maand moet richting geven, de komende jaren moeten ergens naartoe werken. Een Olympische cyclus duurt vier jaar. Dat betekent vooruitdenken, bijsturen en telkens opnieuw pieken. Goud win je niet in één dag. Die manier van denken (micro, meso, macro) is geen theorie. Het is dagelijkse praktijk.
Daarnaast zijn mensen uit de sport doeners! Je wordt niet beter door alleen te analyseren wat er fout ging. Je wordt beter door te trainen. Door te experimenteren. Door feedback direct om te zetten in actie. Natuurlijk wil je niet dat je hartchirurg “even iets nieuws probeert”. Maar in veel functies is de foutmarge groot genoeg om sneller te leren door te doen in plaats van eindeloos te voorspellen. Aanpakken zit diep in de sportcultuur.
Teamsporters zijn bovendien gewend aan overleg. Uren videoanalyse. Luisteren naar de coach. Kritisch zijn op elkaar. Input geven. En daarna samen uitvoeren onder druk. Vergaderen met consequenties zou ik zeggen!
En misschien wel het belangrijkste: zelfreflectie. In topsport zit het verschil tussen goed en perfect in details. Neem een sleeppush in hockey. Het lijkt één beweging, maar wie echt beter wil worden, leert het verschil voelen tussen nét goed en bijna perfect. Die nuance bepaalt soms winst of verlies. Bewust trainen. Bewust evalueren. Bewust bijstellen. Dat is een manier van werken.
Dus wanneer we de volgende keer schrijven hoe inspirerend “onze” sporthelden zijn voor het bedrijfsleven, is er misschien één vraag die we onszelf kunnen stellen: Zijn we bereid om de inspiratie ook organisatorisch serieus te nemen?
Niet alleen de mentaliteit te bewonderen. Maar ook ruimte te maken voor de context waarin die mentaliteit is ontstaan. Topsporters, coaches en stafleden vragen geen voorkeursbehandeling. Ze vragen de mogelijkheid om twee ambities naast elkaar te laten bestaan.
Inspiratie delen is makkelijk. Ruimte maken vraagt iets meer. Misschien is dat wel het echte verschil tussen topsport aanmoedigen en topsport begrijpen.


